Blaarkop uit het veenweidegebied/Groene Hart
(Noord-en Zuid-Holland en Utrecht)

De Blaarkop is een dubbeldoel rund van het melk-vleestype. De bouw van het dier is stevig, solide en evenredig met een gepaste bespiering. De kop is gehoornd en de romp gewelfd. De kleur is egaal zwart of rood met een witte kop en een witte staartpunt. Rondom de ogen heeft het dier zwarte of rode blaren. Deze kunnen verbonden zijn met de hals, vaste blaren, of uitsluitend rond de ogen voorkomen, losse blaren. De onderkant van de buik is eveneens wit, oplopend tot de hals. De benen zijn liefst gekleurd met witte sokken tot de kogels, de voorbenen met wit op klauwspleet en in de kootholte. De Blaarkop heeft stevig droog beenwerk en goede harde klauwen, een goede uier en een hoog eiwitgehalte in de melk.

De Blaarkop is reeds lange tijd in Nederland een bekend rundertype, ze zijn al beschreven in de 14de eeuw. Vanaf de Middeleeuwen worden de dieren op schilderijen weergegeven, met zowel rode als zwarte blaarkoppen. Ook de witkop, zonder aftekeningen op de kop, kwam regelmatig voor. In de provincie Groningen bestond aan het begin van de 20ste eeuw de veestapel voor 90% uit blaarkoppen. Behalve in Groningen fokte men de dieren in Zuid-Holland rondom Leiden en de Rijnstreek van Utrecht. Sinds 1908 maken Blaarkoppen officieel deel uit van de drie Nederlandse rundveerassen (zwartbont Fries-Hollands, roodbont Maas-Rijn-IJssel (MRIJ) en Blaarkop) die onder het Nederlands Rundvee Syndicaat vallen.

Het ras blijkt bijzonder geschikt te zijn voor de biologische melkveehouderij vanwege zijn soberheid en duurzaamheid. In 2007 waren er ongeveer 2300 zuivere vrouwelijke fokdieren. De gemiddelde melkproductie is 6.166 kilo melk, met 4,38% vet en 3,57% eiwit.

Onlangs besloten zeven blaarkopfokkers uit Bodegraven, Zevenhoven, Zoeterwoude, Noordeloos, Warmond, Lexmond en Noordwijk dat het zwarte dan wel rode dier met de kenmerkende witte kop met blaren rond de ogen, witte buik en witte staartpunt geknipt is voor het Groene Hart: dé koe die past bij de toekomst van het laagveenweidegebied met meer agrarische natuur. Het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM), dat in opdracht van de Provincie Zuid-Holland begin 2009 een rapport uitbracht over de blaarkop, concludeert dat de blaarkop op alle onderzochte gebieden goed scoort. De blaarkop is 100 tot 150 jaar geleden vanuit Groningen naar het gebied rondom Leiden gebracht en daar bleek het de ideale koe voor tussen de steden te zijn! Juist in dit weidegebied floreert de blaarkop het best, als vlees- én als melkkoe. Het mooie is dat dat niet iets is van vroeger, maar ook voor de toekomst. En dat geeft toch een heel ander gevoel voor de boeren die blaarkoppen nog steeds hebben of ze juist weer krijgen. Het is goed nieuws voor hen dat blaarkoppen houden niet zomaar een hobby is, een cultuurhistorisch aardig iets, maar ook economisch kansrijk.

Uit het rapport van CLM blijkt dat de blaarkop veel minder in de watten hoeft te worden gelegd dan de koeien die doorgaans de weiden van het Groene Hart begrazen. Mooi dus voor boeren die wel graag koeien willen houden, maar er niet te veel gedoe mee willen hebben. De blaarkop kan tot ver in de herfst buiten lopen en dus langer weidemelk leveren, doet het prima op natte weiden en de weilanden hoeven voor haar niet met veel kunstmest opgefokte biljartlakens te zijn: ze houdt juist van natuurgraslanden. Blaarkoppen zijn veel vriendelijker dan Schotse Hooglanders en zullen dus geen argeloze boerenpadwandelaars afschrikken. De blaarkop is gezond en vruchtbaar. De melkproductie blijft weliswaar nog flink achter bij die van de Holstein-Friesians, maar daar staat tegenover dat ze tot op hoge leeftijd veel melk geeft. De veehouder moet met de blaarkop iets meer geduld hebben. Behalve een behoorlijke hoeveelheid melk levert de koe met de witte kop ook kwalitatief goed vlees. Zijn goede beenwerk en sterke klauwen maken hem uitermate geschikte voor de polder in het Groene Hart.

De Blaarkop uit het Groene Hart kan in de Ark van de Smaak worden opgenomen vanwege het vlees en vanwege de melk die gebruikt kan worden zowel voor de Traditionele Boeren Leidse kaas, Boeren Goudse oplegkaas als Leidse boter (die alle drie in de Ark van de Smaak opgenomen zijn).

Oorzaak verdwijnen: Holsteinisatie, waarbij de fokrichting ging in de richting van de Amerikaanse zwartbonte en roodbonte Holstein-Friesian en niet op het derde runderras in Nederland, de blaarkop.

Fokcentra:

  • Fokcentrum Zorgvrij (Spaarnwoude, ten noorden van Amsterdam)
  • Fokcentrum De Wouterstee (Abbenbroek, bij Rotterdam)
  • Fokcentrum Warmerdam (Warmond bij Leiden)

Fokkerijorganisaties:

Blaarkopstichting
De Drieslag 30
8251 JZ Dronten
Tel. 0321-387938
blaarkop@planet.nl

Blaarkop Rundvee Syndicaat
Oude Zeedijk 3
9968 TA Pieterburen
Tel. 0595-528232


Brandrode rund

Brandrode runderen zijn egaal diep donkerrood of bruinrood van kleur met witte aftekeningen: een witte kol (dat wil zeggen een wit driehoekje tussen, maar niet onder de ogen), een witte buik, witte staartpunt en witte sokken. Op sommige plaatsen van het lichaam, met name aan de kop en de poten neigt de kleur meer naar zwartachtig rood. Vanwege deze geblakerde kleur is de benaming ‘brandrood’ ontstaan.

Brandrode runderen zijn middelgroot. Het zijn rustige en vriendelijke dieren voor elkaar en voor de mensen, wat hen goed hanteerbaar maakt. Ze zijn goed bestand tegen voederovergangen en wisselende weersomstandigheden. Het Brandrode Rund is sterk en sober, kan zich goed aanpassen en blijkt redelijk winterhard. Daardoor kunnen ze het hele jaar door buiten verblijven, hetgeen hen uiterst geschikt maakt voor begrazingsprojecten. Momenteel is het misschien wel het meest authentieke Nederlandse rund. De dieren zijn vruchtbaar, kalven gemakkelijk en bezitten goede moedereigenschappen. In natuurgebieden gehouden Brandroden zogen hun eigen kalveren, ze groeien daar op in zogenaamde kalvercrèches. Er zijn echter ook enkele veehouderijen waar de Brandroden als melkvee gehouden worden en waar er kaas gemaakt wordt.

Het Brandrode Rund behoort tot het Maas-Rijn-IJssel veetype, vaak kortweg MRIJ genoemd. Al vanaf het begin van de twintigste eeuw werd er in het rivierengebied gefokt met de daar voorkomende sobere, sterke, makke en gelijkmatige koeien. Door hun uitgesproken dubbeldoel-eigenschappen speelden vooral de donkerrode dieren een bepalende rol in de roodbonte MRIJ-fokkerij. Vooral de fokvereniging uit Marle, Olst, Wijhe (Kop van Overijssel) speelde een toonaangevende rol. Door specialisatie en melkproductie verdwenen in de jaren ‘70 echter veel typische MRIJ-kenmerken. Teruglopende aantallen, genetische versmalling en de MKZ-uitbraak in 2001 brachten het MRIJ-ras ernstige slagen toe.
Het Brandrode Rund wordt nu als een apart rundveeras onderscheiden. Door hun robuustheid en weerstand tegen ziekten hebben Brandrode Runderen een lange levensduur, wat hen ook geschikt maakt voor natuurbegrazing. Inmiddels hebben de Brandrode Runderen een eigen stamboek en hebben zowel cultuurhistorische organisaties, professionele als hobbyboeren de handen ineen geslagen om het ras van de ondergang te redden. Via onderzoek en fokmodellen wordt gewerkt aan instandhouding van het ras en verbreding van de bloedvoering.

Sinds 1984 heeft Marlies Hermans op haar Natuurboerderij "Aan de Dijk" te Beuningen bij Nijmegen Brandrode Runderen verzameld uit zo veel mogelijk bloedlijnen, afkomstig uit het rivierengebied. Op basis daarvan heeft zij een uniforme kudde gefokt die in samenwerking met Staatsbosbeheer en Stichting Ark wordt ingezet bij het begrazingsbeheer in het reservaat Beuningse Uiterwaarden. Mede op basis van een inventarisatie, in 1999 uitgevoerd in opdracht van de SZH, heeft de Vereniging Het Brandrode Rund daarnaast dieren aangekocht uit onverwante lijnen in Noord-Brabant, Noord-Limburg en de Veluwe. In samenwerking met de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting het Geldersch Landschap worden deze dieren ingezet op terreinen van Natuurmonumenten, zoals Kraanvense Heide (Loon op Zand) en Groote Modderkolk (Loenen) en van Het Geldersch Landschap, zoals Duno /Doorwerth en de Regulieren (Beusichem).

Het Brandrode rund zou uitermate geschikt kunnen zijn voor de leverantie van naegelholt (opgenomen in de Ark van de Smaak), draadjesvlees (van riblappen, runderlappen tot sukadelappen) en allerlei soorten runderworst (waaronder ossenworst, maar dan niet alleen afkomstig van ossen). Het is fijner van smaak en voller van structuur dan het rundvlees in de supermarkt.

Oorzaak verdwijenen: Holsteinisatie, waardoor geselecteerd werd op Holstein-Friesian runderen en de oorspronkelijke Nederlandse rassen zoals de roodbonte MRIJ in aantal achteruitgingen; tevens werd er geselecteerd op specialisatie, ofwel op uiervorming dan wel op vleesvorming, en niet op dubbeldoel, zoals bij het MRIJ, waarvan het Brandrode dus een kleurslag was.

Fokcentra
Er is een erkend fokcentrum: De Groote Modderkolk te Loenen (Gelderland) van de Vereniging voor Natuurmonumenten.

Vereniging Het Brandrode rund
p/a Kraanven 23
5175 PE Loon op Zand
Tel. 0416-361 579
Gsm. 06-22495100
jjmvanriel@hetnet.nl

Leveranciers:

Kaas
Vanaf 2007 levert het Geldersch Landschap via zijn Brandrode runderen op natuurterreinen naast vlees ook Gelderse gelaagde Wortelkaas, Gelderse Heksenkaas en Gelderse Perenkaas. Vanaf 2008 is Cassuto van geiten overgeschakeld op Brandrode runderen, waarvoor met behulp van een lening van het Triodos Groenfonds een nieuwe stal is gekomen. Er komen twintig koeien die jaarlijks zo'n 120.000 liter melk produceren, waar Cassuto weer ambachtelijke rauwmelkse kaas van gaat maken. Vanaf december 2009 worden de eerste kazen verkocht, die al vanaf voorjaar 2009 lagen te rijpen.

Brandrood Boerenkaas
Michiel Cassuto
Kernhemseweg 6
6718 ZB Ede
Tel. 0318-611255
Openingstijden: zaterdag 10-16 uur

Kasteel Hoekelum Boerderijwinkel
Fam. van de Kamp
Edeseweg 122
6721 KE Bennekom
Tel. 0318-632312

Vlees & Kaas

Geldersch Landschap
Tel. 026-3552558
j.jelsma@mooigelderland.nl
info@huysdezyp.nl
www.huysdezyp.nl


Friese roodbonte rund

De Friese roodbonte koe is een kleurslag van het vermaarde zwartbonte Fries-Hollandse vee. Dit vee vormde de basis voor het in de VS gevormde Holstein-Friesian vee, dat ontstond door ‘verbetering’ van dit Friese vee. Op dit moment zijn er wereldwijd nog slechts 400 Friese roodgekleurde runderen. De Friese roodbonte koe is een krachtige, oer-Hollandse koe: roodbonten zijn minder vaak ziek, worden ouder en hun melk bevat een hoger vet- en eiwitgehalte. Deze unieke, kwalitatieve eigenschappen zijn waardevol voor de Nederlandse veestapel.

In de Middeleeuwen waren bijna alle Nederlandse koeien roodbont. Nadat de veepest in 1750 driekwart van de veestapel velde, werden zwartbonte koeien uit Denemarken (Jutland) en Duitsland ingevoerd. Deze dieren werden de voorouders van het Fries-Hollandse vee. Aan het eind van de 19de eeuw nam de vraag vanuit het buitenland naar zwartbonte Friese koeien toe. De Friese roodbonte koe kwam toen al in de verdrukking.
In 1993 werd geconstateerd dat er nog maar 17 Fries roodbonte koeien en 4 stieren over waren. Vanaf 2008 wordt er omdat er nu weer in principe voldoende runderen in grote fokgroepen van enkele tientallen dieren aanwezig zijn door verschillende slagers en in diverse restaurants uitgeselecteerd vlees van dit bijzondere rund verkocht en op de kaart gezet.

Oorzaak verdwijnen: Selectie op zwartbont in de noordelijke provincies, roodbont was voor de zuidelijke provincies (Maas-Rijn-IJssel-vee), vervolgens Holsteinisatie.

Leveranciers:

De verkooppunten van de vleespakketten en de ambachtelijke Friese droge worsten zijn:

  • Rispens State, IJlst, bestellen via rispensstate.nl/contact
  • JJumbo supermarkten, Dokkum, tel.0519-220255
  • Henk Tolsma, St. Nicolaasga

Graag eerst even bellen of er pakketten op voorraad zijn.

SLAGERIJ

Menno Hoekstra, ambachtelijke slagerij

Anjum

Tel. 0519-321297

RESTAURANTS

  • Frouckje State, Rijperkerk
  • ’t Smelnehus, Drachten
  • Leeuwenhart, Sneek
  • ’t Plein, Joure
  • ’t Ponkje, Woudsend
  • De Nieuwe Mulderij, Leeuwarden

 

Fries-Zeeuwse melkschaap

Gedurende zeker 10 eeuwen werden langs onze kusten en ook de Belgische, Duitse en Deense, op de zogenaamde kwelders kustschapen gehouden voor de productie van kaas, wol en vlees. Na het uitsterven van het Groninger schaap bleven uiteindelijk twee populaties over, in respectievelijk Zeeland en Friesland. In Noord- en Zuid-Holland bleven vermoedelijk te weinig ruimtes aan de kust over om schapen te houden, maar bekend is dat ook in de buurt van ’s Gravenzande bij Den Haag schapen gehouden werden. Het Fries-Zeeuwse melkschaap behoort tot de grote witte schapen. Ze hebben een lange en tengere hals. De kop met lichtgebogen neus en de staart zijn niet bewold. Het schaap heeft een gewicht van ca. 75 kilo. De kale staart reikt tot de hak. Het Friese melkschaap heeft de hoogste melkgift van alle schapen. Het produceert jaarlijks ongeveer 500 liter melk, maximaal zelfs 700 liter, waarvan 80-90 kilo schapenkaas gemaakt kan worden.

In het begin van de 19de eeuw was de wolproductie nog erg belangrijk. Ook is het melkschaap uiterst vruchtbaar en worden er dus vaak tweelingen, drielingen en zelfs vierlingen geworpen. Melkschapen geven van alle onderzochte rassen en kruisingen de minste geboorteproblemen en staan bekend om hun goede moedereigenschappen. Ze kunnen tot eind oktober gemolken worden, nadat de lammeren op een leeftijd van zes weken afgewend zijn van de moeder.
Hoewel Nederland de afgelopen vier decennia een enorme toevlucht in de productie van geitenkaas zag, bleef die van schapenkaas om wat voor reden dan ook hierbij achter. Momenteel zijn er over geheel Nederland verspreidt zo’n 8.000 melkschapen (eind jaren ’70 waren er nog maar enkele honderden melkschapen). Buitenlandse melkschapenrassen komen hier niet voor, zodat u er van uit kunt gaan, dat als u een Nederlands schapenkaasje koopt dit per definitie afkomstig is van het Fries-Zeeuwse melkschaap en u door deze koop de instandhouding van dit schapenras bevordert. Echter, alleen Texelse schapenkaas wordt niet van het Fries-Zeeuwse melkschaap gemaakt (Texel is overigens een Noord-Hollands eiland) maar van Texelaars die over melktypische en niet zo zeer vleestypische eigenschappen beschikken.

Oorzaak verdwijnen: Onbekendheid Nederlander met schapenkaas, geitenkaas scoort wel, concurrentie van buitenlandse schapenkazen zoals Roquefort, Manchego en Pecorino.

Leveranciers:

De Kooihoek
Freek Atema
Exelseweg 6
7245 VE Exel
Tel. 0573-421319
kooihoek@hetnet.nl
dekooihoek.nl

De Zeekraal
Gerben en Jolanda Bakker
Oosterend 17
8897 HW Terschelling
Tel. 0562-449278
info@dezeekraal.nl
dezeekraal.nl

De Zwaakse Weel
Rens en Yvonne
Siguitsedijk 15
4434 NB Kwadendamme
Tel. 0113-350540
info@dezwaakseweel.nl
www.dezwaakseweel.nl

Dikhoeve
Willem en Geertje Kuiper
Nieuwe Gouw 51
1028 BM Ransdorp
Tel. 020-4904262
wpkuiper115@zonnet.nl
dikhoeve.nl

Kaasboerderij Mariekerke
Mariekerke 24
4365 NK Meliskerke
Tel. 0118-561274
info@mariekerke.nl
mariekerke.nl

Melkschapenbedrijf Prins/Pauw
Gerro Pauw en Claudia Prins
Katwoude (Volendam)
Tel. 0299-368084
melkschapenpauw@tele2.nl

Ouwendorperhoeve
Nelleke Meersma & Adriaan Antonis
Ouwendorperweg 27
3886 MR Garderen
Tel. 0577-407177
nelleke.meersma@ouwendorperhoeve.nl
www.ouwendorperhoeve.nl

Schapenhouderij Breel
Jan Breel
Bieweg 8
Veere
Tel. 0118-501342
schapenhouderij@hetnet.nl
www.schapenhouderij.com

Schapenstreek
Anita en Mark van Alderwegen
De Gouw 57A
1614 MB Lutjebroek
Gsm. 06-10099447
info@schapenstreek.nl
schapenstreek.nl

Biologisch landbouwbedrijf Groot Kabel
Foyingaweg 57
9293 LR Kollumerpomp
w.kuiken@zonnet.nl
grootkabel.nl

 

Texelse zwarte bij

Tot aan de Tweede Wereldoorlog kwam er in Nederland slechts een type honingbij voor: de zwarte bij. Honderden jaren lang was dit de enige bij in Nederland, hij leverde honing en bestoof alle Nederlandse fruitbomen, groenten en andere bloemdragende landbouwgewassen. De Nederlandse tuin- en akkerbouw werd groot door deze zwarte bij. Echter, vanwege de steeklustigheid en zwermdrift van deze zwarte bij werden andere bijenrassen uit het buitenland ingevoerd: de Italiaanse, de Oostenrijkse en als laatste de Engelse Buckfast Abbey-bij.

Vergeten werd dat de dus zeer actieve zwarte bij daarbij nog over een derde uiterst positieve eigenschap beschikte: een hoge haaldrift, dus veel honing produceerde. In feite was de zwarte bij geschikt voor het platteland en niet voor gebieden waar veel mensen woonden; maar hij werd dus overal weggehaald. Om een zuivere populatie te redden werd het eiland Texel bij ministerieel besluit in 1984 uitgeroepen tot refugium voor de laatste zwarte bijenpopulaties van Nederland. Er mochten geen andere bijenvolken op dit eiland gebracht worden. Momenteel wordt onderzocht hoe zuiver de laatste 70 bijenvolken op dit eiland nog zijn en hoe resistent ze zijn voor besmettingen en ziekten zoals de varroa-mijt en de colony collapse disorder.
Vooral de lamsoorhoning van deze zwarte bij uit het natuurgebied de Slufter op Texel is zeer vermaard vanwege zijn opvallende geelgroene kleur en ziltige smaak.

Oorzaak verdwijnen: De zwarte bij zou steeklustig en zwermgraag zijn. 

Leveranciers:

Nederlandse Bijenhoudersvereniging Afdeling Texel
Hans de Ruiter, secretaris
Klimpstraat 65
1795 AN Cocksdorp
Tel. 0222-316359
haca@texel.com

 

Twentse landgans

Nederland kende in de 19de eeuw nog verschillende eigen ganzenrassen als de Groninger gans, Noord-Hollandse gans en de Zuidenaar. Deze lokale rassen zijn door inkruising met zwaardere buitenlandse rassen als de Emdener, Pommerse, Toulouse en de Afrikaanse knobbelgans kort na de Eerste Wereldoorlog verdwenen. Aan dit lot is de Twentse Landgans ternauwernood ontkomen. Het is vooral aan de fokker Wim Hoeksema te danken dat de Twentse landgans nog bestaat. Terwijl vrijwel iedere fokker in de jaren ´70 en ´80 kleinere of exotische pluimveerassen ging fokken, bleef hij de Twentse landgans trouw.
Hoeksema kreeg begin 2000 steun van enkele leden van de Gedomesticeerde Watervogelvereniging, waarna in Oost Nederland op veelal afgelegen locaties (o.a. vijvers) nog goeddeels oorspronkelijk bloed werd gevonden. Uit deze dieren stamt de huidige fokpopulatie van ruim 120 dieren. Sindsdien komen de fokkers jaarlijks samen om de jonge dieren te beoordelen, fokmateriaal uit te wisselen en om de aandachtspunten voor de komende jaren vast te stellen. Deze fokkersdag wordt dit jaar op de Nationale Dag van het Levend Erfgoed op 28 augustus 2011 in Liempde gehouden.

Rasbeschrijving
De Twentse Landgans is een vroegrijpe, beweeglijke, licht tot middelzwaar gebouwde, horizontaal gestelde gans van het landganstype. De ogen zijn bij beide kleurslagen lichtblauw. Zowel de poten als snavel zijn geeloranje waarbij de snavelnagel licht hoornkleurig is. De nauwelijks middellange hals wordt rechtop gedragen. De vleugelpunten raken elkaar op de staart.
De Twentse landgans komt voor in de kleurslagen wit en bont. Het overgrote deel van de Twentse landgans was vroeger wit, de weinig voorkomende bonte dieren hadden vaak alleen aftekening aan de kop, de rug en de flanken. Dit omdat het witte dons, geplukt van hals, borst en buik meer opleverde dan het donker gekleurde dons. Afgaande op schilderijen vanaf de middeleeuwen is het waarschijnlijk dat er te midden van de witte exemplaren altijd een deel bont geweest is. Een belangrijk raskenmerk was de vroege leg, dankzij de Twentse ‘eeuwige’ roggeteelt waardoor lang voer voor deze ganzen beschikbaar was. Twentse ganzen begonnen vaak in november, december te leggen. De relatief kleine Twentse gent en gans wegen respectievelijk 5-6 en 4-5 kg.
 

Geschiedenis
Het vroegste Twentse document dat melding maakt van de Twentse Landgans is van Freiherr Von Bönninghausen. In zijn beschrijving van de Twentse roggeteelt (1817) maakt hij melding van de veelvuldige aanwezigheid van ganzen in Noordwest Twente binnen de boerengemeenschappen. Jaarlijks overstromende beekjes en kleine rivieren die een goede grasoogst beletten zijn de aanzet geweest tot de bedrijfsmatige ganzenhandel en ganzenteelt zoals deze vanaf 1850 tot aan de eerste wereldoorlog rond Enter, Wierden en Goor gepraktiseerd werd. Jaarlijks werden er tienduizenden dieren in Twente en Duitsland opgekocht en rond Enter verhandeld met als topjaar 1887 met 60.000 dieren. In 1188 wordt Enter als 'Entheren' genoemd. Deze naam voedt de bewering dat Enter haar naam aan de ganzenteelt te danken heeft. Enthere is een landrug in moerassig gebied waarop ‘entvogels’ te vinden zijn.
 

Specifieke gegevens gaan verder terug dan 1817
In het notulenboek van een Twentse Marke (Ootmarsum) staat onder 8 augustus 1631 het besluit vermeld dat een boer acht oude ganzen op de markengrond mocht houden en een kotter vier. Op 17 juli 1633 echter werd bepaald dat de eerste categorie, een volle erve genoemd, niet meer dan 14 jonge en oude ganzen mocht houden en een keuter of kotter acht, eventueel tien, maar dan alleen als er twee bestemd waren voor de landheer. Voor iedere gans meer die in het veld werd aangetroffen moest een boete van drie stuivers worden betaald.
Dankzij de rasspecifieke vroege leg – ook van éénjarige dieren - konden de nakomelingen als 6–8 weekse mestkuikens reeds zowel in de winter als het vroege voorjaar worden aangeboden. Met name Engeland (Christmas goose) en Duitsland toonden zich belangrijke afnemers. Met het wegvallen van de Engelse markt na de Eerste Wereldoorlog werd op voorstel van de toenmalige rijkspluimveeconsulent geadviseerd om de Twentse Landgans in te kruisen met de zwaardere Litouwse gans om beter aan te sluiten bij de wensen van de belangrijke Duitse exportmarkt. Met de ontwatering van het natte Noordwest-Twente, de opkomst van de grootschalige landbouw en de economische voordelen van de intensieve veehouderij is het na 1945 definitief gedaan met de bedrijfsmatige ganzenhouderij in Nederland. Wel werden er tot in de zestiger jaren nog honderden Twentse Landganzen voor kerst afgemest in Goor.

Huidige stand van zaken
Sinds eind 1980 heeft de - toen al op leeftijd zijnde – heer W.D. Hoeksema uit het Drentse Tweede Exloërmond zich ingespannen om de Twentse Landgans te behouden. Dit deed hij door als basis lokale boerenganzen met Duitse Diepholzer ganzen te kruisen.
Dankzij de heer W.D. Hoeksema en het gezamenlijke initiatief van de Gedomesticeerde Watervogelvereniging en de Stichting Zeldzame Huisdierrassen, staat de Twentse Landgans sinds enige jaren weer in de belangstelling bij enkele enthousiaste fokkers. Momenteel zijn ruim honderd dieren goedgekeurd door de fokkersgroep van de Twentse Landgans, wordt jaarlijks eind juni de fokkersdag georganiseerd en wordt met enige regelmaat geëxposeerd met enkele Twentse Landganzen op kleindierententoonstellingen.
Begin 2011 werd door de inmiddels opgeheven Stichting Slow Food Nederland een startsubsidie toegekend aan de Twentse Landgans om de haalbaarheid van het op de kaart zetten van (delen van) de Twentse landgans als culinair product te onderzoeken. Aan het eind van dit jaar zullen circa 50 landganzen beschikbaar komen.

Inlichtingen/bestellingen:
Coördinator Twentse Landgans
Jan Ritsma
Tel. 0594-642482
coordinator@twentselandgans.nl