HIeronder vind je een selectie van onderwerpen uit het Slow Food Magazine, reacties daarop, en andere dossiers die het waard zijn om te lezen.
In Slow Food Magazine van september 2009 staat het artikel ‘Oerhollands culinair symbool dreigt te verdwijnen. De vis wordt straks wel heel erg duur betaald…..’. In het artikel betoogt Slow Food-lid Henk van Rossum dat het eten van paling geen slow food maar ‘no food’ is. Alex Koelewijn, eveneens Slow Food-lid, reageerde op het stuk. Zijn reactie, voorzien van een redactioneel commentaar, plaatsen we hierbij. Het artikel uit het Slow Food Magazine is hier te downloaden.
Reactie van Alex Koelewijn:
Bij het lezen van Slow Food Magazine nr.3 september 2009 kwam ik een artikel tegen waarover ik graag een aantal opmerkingen maak.
Het verhaal begint met cijfers en getallen dat de vangsten sinds 1980 met 75% zijn teruggelopen. Die opmerking klopt slechts voor een klein gedeelte van Nederland nl. het IJsselmeer. Vangsten elders zijn al jaren stabiel of nemen zelfs toe. De intrek van glasaal in de rivieren is in Nederland sterk toegenomen na het openstellen van de Haringvlietdam. Deze kennis wordt regelmatig buiten de “wetenschappelijke” rapporten gehouden. De hoeveelheid legaal vanuit Zuid-Europa geëxporteerde glasaal bedroeg in 2004 meer dan het in het artikel genoemde getal. Een schatting van de hoeveelheid niet geregistreerde export gaat om een gelijke hoeveelheid. Wel wil ik even duidelijk maken dat in het Verre-Oosten geen glasaal geconsumeerd word maar de paling als grondstof dient voor de kwekerijen aldaar. Van Rossum insinueert dat in het Verre-Oosten glasaal gegeten wordt. De schrijver heeft vervolgens nagelaten hoever het is met de voortplanting van paling in gevangenschap. In Japan, Denemarken en Frankrijk zijn de laatste jaren grote successen geboekt met kunstmatige voortplanting tot wel in de 7e generatie. Dat kwekerijen op dit moment te veel glasaal (grondstof) zouden gebruiken klopt ook niet. De overlevingsratio van glasaal in de aquacultuur tegenover die in de natuur leven laat een factor 30 verschil zien ten gunste van de aquacultuur.
De commissie Eijsackers heeft aangetoont dat de IMARES streefbeeld berekeningen (4000 tot 6000 ton) van IMARES behoorlijk onrealistisch waren. Eijsackers schrijft daarnaast nog veel meer. Echter Van Rossum citeert diverse keren uit krantenartikelen. Waarom leest Van Rossum die rapporten niet zelf? Dat is jammer want als Van Rossum de genoemde rapporten kende en gesproken zou hebben met kenners dan was zijn artikel waarschijnlijk minder gekleurd overgekomen en had het een behoorlijk hoger waarheidsgehalte gehad.
Alle in het artikel genoemde getallen berusten op aannames en schattingen. Er bestaan géén betrouwbare getallen over het voorkomen en vangsten van paling binnen Nederland. Wel weten we zeker dat palingen die opgroeien in de zogenaamde schone gebieden met grote zekerheid de dood vinden in een Nederlands poldergemaal. Van het over de dijk helpen van deze paling kan men dus goede resultaten verwachten.
Het was een in de Tweede Kamer democratisch genomen besluit om 157.000 kilo volwassen schieraal over dijk te helpen. Maar de door Van Rossum geprezen “coaltie”, als of het bevrijders zijn, heeft alle lobby-zeilen bijgezet om dat te voorkomen. Daarom heb ik een aantal vragen:
Weet van Rossum misschien hoeveel overlevingskansen een paling heeft als deze door een Sportvisser met haak en nylondraad terug in het water gegooid wordt?
Weet van Rossum ook dat de teruggooiverplichting lang niet door alle hengelaars onderschreven en dus nageleefd wordt? Weet Van Rossum dat WNF/WWF in 2006 géén € 1000 over had om 30.000 jong palingen terug te geven aan de natuur in het stroomgebied van de rivier de Eem?Dat Carel Drijver (toenmalig directeur WNF/WWF) persoonlijk de bijdrage heeft tegengehouden?
De uitzet van jonge paling word door “de coalitie” niet als oplossing gezien, hierbij vergeten zij de geschiedenis. Tussen 1946 en 1980 werden in Nederland alleen al 800 miljoen jonge palingen uitgezet in Nederlandse binnenwateren. Die zouden bij een overleving van 30% ruim 1000 ton oogstbare paling per jaar opleveren. Dit effect is nooit door enig onderzoek meegenomen. De geschiedenis leert dus: Wie niet zaait zal niet oogsten.
Het LEI/WUR heeft deze zomer in opdracht van WNF/WWF een onderzoek gedaan naar de effecten van een stop op de palingconsumptie. Dit rapport is uitgebracht aan WNF/WWF maar mag niet in de openbaarheid komen. Waarom niet? De onderzoekers van het LEI/WUR hebben geconcludeerd dat het stoppen van de palingconsumptie het herstel van de paling negatief beïnvloed. Dit komt omdat er dan géén gelden kunnen worden gevonden voor nodige investeringen in herstelplannen. De uitkomst past dus niet in het straatje van “de coalitie” (Natuurbeschermers).
Verder laat Van Rossum zich overduidelijk leiden door eenzijdige informatie. Duidelijk is dat Van Rossum zich niet verdiept heeft in zijn artikel want dan had hij immers geweten dat voor de handel in bedreigde diersoorten de regels van CITES gelden. CITES (Convention on International Trade of Endangered Spices) geldt wereldwijd en niet de IUCN-lijst die Van Rossum aanhaalt. De CITES listing van paling (Lat.: Anguilla anguilla) is Appendix II. Deze Appendix bevat: soorten die niet direct met uitsterven bedreigd zijn maar dat kunnen worden tenzij de handel gereguleerd is. Verder spreekt CITES Appendix II : vrij verhandelbaar binnen het oorspronkelijke leefgebied. Onze Minister heeft dat al beperkt tot de Europese Gemmenschap en biedt daarmee veel meer bescherming dan CITES eist. Ook noemt noemt Van Rossum het fenomeen greenwashing. Hierbij mag opgemerkt worden dat Albert Heijn zich met haar leverancier Foppen zeer wel inzet voor onderzoek en verbetering van de palingstand. Dit doet Albert Heijn en haar leverancier door in het Veluwerandmeer en Wolderwijd jonge gemerkte paling terug aan de natuur te geven. De eerste resultaten zijn hoopgevend de jonge paling blijken het zeer goed te doen. Albert Heijn onderneemt dus wel degelijk actie om te palingstand te verbeteren. Iets wat van de door Van Rossum geprezen coalitie nog steeds niet gezegd kan worden.
In het kader “Herstel palingstand bedreigingen en kansen” schrijft Van Rossum tegenstrijdige argumenten door elkaar. Het meest in het oog springende is wel dat Van Rossum de Kader Richtlijn Water (KRW) ziet als een kans voor herstel. Ingewijden weten dat de KRW al een aantal jaren zorgt voor minder voeding in het water. Dus minder vette paling die op haar beurt weer minder kansen heeft de paaigronden te bereiken. Bij het voorstellen van de KRW werd door de toenmalige staatssecretaris al aangegeven dat het zou zorgen voor een veranderde biotoop en dus veranderde bevolkings samenstelling van de oppervlaktewateren binnen Nederland.
Als laatste verbaas ik mij over het feit dat Van Rossum onder het kopje “kansen voor herstel” noemt Van Rossum het uitzetten van schieraal in zee door beroepsvissers. Heeft de schrijver enig idee wanneer schieraal gevangen wordt? Waarschijnlijk niet. Schieraal vangt men vanaf September tot December en dat is de periode die “de coalitie” juist heeft laten sluiten. Beroepsvisserij is een deel van onze voedselvoorziening en past wel degelijk in het regionaal beschikbaar maken van voeding. Dan blijft er één vraagje over: Hoe kan men beroepsvissers laten werken als er een vangstverbod komt en de consumptie ontmoedigd wordt en daardoor hun het brood uit de mond wordt gestoten.
Duidelijk is dat Van Rossum zich heeft laten leiden door krantenartikelen die hoofdzakelijk uit persberichten bestaan van “de coalitie”, en zich niet heeft verdiept in de werkelijke oorzaken door te spreken met deskundigen.
Mochten er na het lezen van bovenstaande brief nog vragen bij u opkomen ben ik ten allen tijde beschikbaar voor antwoord.
Alex Koelewijn, palingdeskundige en professioneel Slow Food lid
(van dichtbij betrokken bij divers overleg betreffende palingherstel)
Reactie van auteur Henk van Rossum
In een reactie op mijn artikel ‘Oerhollands culinair symbool dreigt te verdwijnen’ (Slowfood Magazine 3) trekt palingproducent en Slowfoodlid Alex Koelewijn een aantal van mijn bevindingen in twijfel, en beschuldigt mij er bovendien van dat ik mij uitsluitend door stemmingmakerij van natuurbeschermers in de media heb laten leiden.
Zo betoogt Koelewijn dat de cijfers die ik aanvoer over de terugloop van de vangsten en de glasaalintrek alleen maar betrekking hebben op het IJsselmeer en dat het verder eigenlijk best goed gaat: ‘vangsten elders zijn al jaren stabiel of nemen zelfs toe’ en ‘de intrek van glasaal in de rivieren is in Nederland sterk toegenomen’.
De door mij genoemde cijfers hebben inderdaad betrekking op onderzoek in het IJsselmeer (overigens geen ‘klein deel van Nederland’, zeker niet als het om palingvisserij gaat). Maar Koelewijn noemt nergens de onafhankelijke onderzoeksbronnen op basis waarvan hij constateert dat het elders in Nederland allemaal reuze meevalt. Behalve een paar berichten dat sinds het op een kier zetten van de Haringvlietsluizen de intrek van glasaal inderdaad wat is toegenomen heb ik geen gegevens kunnen vinden dat het buiten het IJsselmeer beter gaat met de paling. En als dit toch zo zou zijn, waar komen dan al die onheilsvoorspellingen vandaan, zowel nationaal als internationaal? Hoe kan het dan dat, om maar een paar voorbeelden te noemen, in Zweden de paling als ernstig bedreigd op de nationale rode lijst staat, in Duitsland al sinds 1998 in de federale Rode Lijst ‘gefährdet’ genoemd wordt, in Frankrijk en Spanje als ‘kwetsbaar’ op de nationale Rode Lijst voorkomt, in Oostenrijk als een met uitsterven bedreigde vissoort gezien wordt en in Zwitserland als ‘potentiell gefährdet’?
Waarom komt dan de EU-verordening uit 2007, die oproept tot drastische maatregelen, uit voort? Is het nationaal en internationaal onderzoek, verricht door onafhankelijke wetenschappelijke instituten, dat aan die verordening en alle andere beschermingsmaatregelen en -voorstellen van overheden ten grondslag ligt allemaal onzin? Dat Koelewijn er geen hoge pet van op heeft blijkt uit zijn opmerking dat er ‘kennis buiten de “wetenschappelijke” rapporten gehouden wordt’, waarbij de door hem gebruikte aanhalingstekens significant zijn. Ook ben ik nieuwsgierig wat dan wel de redenen voor het buiten die rapporten houden van kennis zouden kunnen zijn. Vooralsnog zie ík geen argumenten om te twijfelen aan wetenschappelijke bevindingen - al spelen aannames en schattingen daar ook een rol in -, omdat niemand nu eenmaal honderd procent zeker kan weten wat zich onder water afspeelt, ook palingdeskundige Koelewijn niet.
Natuurlijk zitten wetenschappers er ook wel eens naast, of zijn ze het met elkaar oneens. Voorbeeld van dat laatste is het rapport Eijsackers, dat ik in tegenstelling tot wat Koelewijn beweert wel degelijk gelezen heb. Daarin wordt, zoals ik in mijn artikel heb beschreven, het ‘streefbeeld’ voor de uittrek van schieraal zoals door eerdere onderzoeksinstituten berekend, als onrealistisch naar beneden bijgesteld (waarna het overigens door de internationale organisatie van zeebiologen ICES in hun advies aan de onderzoekscommissie van de EU weer werd opgekrikt). Maar die commissie Eijsackers heeft nergens in haar rapport gesteld dat het met de palingstand wel losloopt, en dat een visserijstop niet nodig is. Ik heb uit interviews in Trouw en de Volkskrant (geen huis-aan-huisblaadjes maar kwaliteitskranten) geciteerd waarin voorzitter Herman Eijsackers onomwonden aangeeft een jaarlijkse sluiting noodzakelijk te vinden. Van Koelewijn mag ik niet uit kranten citeren, kennelijk vertrouwt hij journalisten even weinig als de wetenschappers die met hem onwelgevallige onderzoeksresultaten komen. Ik heb nergens gelezen dat Eijsackers die letterlijke citaten heeft herroepen. Bovendien staat alles ook in het bewuste rapport zélf, en is het dus eerder Koelewijn die het niet gelezen, dan wel niet begrepen heeft. Twee letterlijke citaten uit de conclusie van dat rapport.
Citaat 1:
‘De ernst van de situatie wordt met name ingegeven door de minieme hoeveelheid glasaal, die Nederland en de rest van Europa bereikt; dit maakt dat de noodzaak van maatregelen om de uittrek van Schieraal te bevorderen, die in staat is om de Sargassozee te bereiken en zich daar voort te planten, zeer urgent is, bij elk streefbeeld.
Uit de modelberekeningen valt af te leiden dat het herstel van de aalpopulatie minstens enige tientallen jaren zal vergen ( één vissersgeneratie), bovendien zal dit herstel zich pas na enige jaren inzetten, waardoor het effect van de genomen maatregelen niet onmiddellijk zichtbaar zal worden.’ (Streefbeeld Aal, een deskundigenoordeel, p.15).
Citaat 2:
‘De commissie doet de suggestie om de toegestane visserijmortaliteit centraal te stellen, als eerste randvoorwaarde voor herstel en als richtsnoer voor regionaal uit te werken aalherstelplannen.Een benadering vanuit visserijmortaliteit heeft een aantal voordelen:
Tot zover de citaten. Vrij vertaald in gewoon Nederlands: het staat er beroerd voor met de paling, we moeten het eerst voor elkaar zien te krijgen dat de palingstand zich herstelt en ook daarna blijven zorgen dat er vooral op plekken waar weinig paling zit niet teveel weggevangen wordt. De minister van LNV heeft de conclusies in tegenstelling tot Koelewijn wel begrepen en legt ze in Kamerstuk 128908 van 16 maart 2009 nog eens als volgt uit:
‘Het rapport van de commissie Eijsackers onderschrijft de buitengewoon ernstige situatie van het aalbestand. Het onderstreept niet alleen de ernst van de situatie, maar ook de noodzaak van vergaande maatregelen. Mijn aalbeheerplan voorziet naar mijn mening reeds in een reeks van vergaande maatregelen, variërend van verbeteringen bij vismigratie tot visserijbeperkende maatregelen, waaronder een visverbod in specifieke maanden. (…) Het rapport beschrijft hoe buitengewoon ernstig de situatie is en dat vergaande maatregelen noodzakelijk zijn om tot een duurzame aalstand te komen. Het sterkt mij in mijn opvatting dat de in het Nederlandse aalbeheerplan beschreven maatregelen noodzakelijk zijn.
Met name het daarin genoemde visverbod is, gegeven de discussie van de afgelopen maanden en gegeven het rapport van de commissie Eijsackers, een specifiek punt van aandacht.’ (p.2)
Tot zover het rapport Eijsackers. Koelewijn beschuldigt mij in zijn reactie ook - ten onrechte - van andere onzorgvuldigheden. Zoals dat ik nagelaten zou hebben te melden hoe ver het is met de voortplanting van paling in gevangenschap. De successen op dit gebied worden door mij in mijn artikel wel degelijk genoemd, alleen ben ik er wat minder enthousiast over dan Koelewijn. Als hij mij een adres in Nederland kan noemen waar ik échte duurzaam gekweekte paling - dus geen opkweekvis - kan kopen zou hij mij een groot plezier doen, en ik ben ook bereid voor zulke paling wat meer te betalen.
Dan de overlevingskansen van de paling die ‘met haak en nylondraad door een sportvisser wordt teruggegooid’ waar Koelewijn me naar vraagt: die lijken mij niet groot, al begrijp ik niet waarom hij dit van een eenvoudig Slowfoodlid als ik wil weten. Ik mag hopen dat een rechtgeaard hengelaar probeert te voorkomen paling aan de haak te krijgen door er niet op te vissen; en mocht er toch één in het aas gebeten hebben, dat hij dan probeert die op verantwoorde wijze te onthaken. Ik denk dat Sportvisserij Nederland niet kan instaan voor het gedrag van álle lieden die een hengel ter hand nemen, maar neem aan dat die organisatie haar terugzetverplichting serieus neemt door er op toe te zien dat de leden zich er tenminste aan houden.
Van de weigering van het WNF om 1000 euro bij te dragen om jonge palingen uit te zetten in het stroomgebied van de Eem is mij niets bekend. Ik heb er vooralsnog geen mening over. Hetzelfde geldt voor het onderzoek van LEI/WUR waaraan Koelewijn refereert.
Verder mag ik mij van Koelewijn voor mijn oriëntatie op de mate waarin de paling met uitsterven bedreigd wordt niet baseren op de rode lijst van de IUCN, maar moet ik de CITES/Appendix II-classificatie ter hand nemen. Nu vind ik dat ik de vrijheid heb om mijn informatie bij welke organisatie dan ook te vergaren. Bovendien vermoed ik dat CITES als intergouvernementele organisatie moet schipperen tussen natuurbescherming en handelsbelangen, en daarom bij de classificatie een beetje water bij de wijn doet. Maar ook deze club is niet enthousiast over de positie van de paling, en wordt door Koelewijn overigens goed geciteerd: ‘de paling is een soort die niet direct met uitsterven bedreigd is maar dat kan worden als de handel niet goed gereguleerd is’. Overigens komt van de bij ons in de handel verkrijgbare vissoorten alleen de paling in Appendix II voor, terwijl in Appendix I (‘direct met uitsterven bedreigd’) uitsluitend de steur genoemd wordt. Dat sterkt mijn vermoeden dat CITES toch wat al te luchthartig tegen de zaken aankijkt. Wat betref het betichten van Albert Heijn door mij van greenwashing: het is mij bekend dat deze supermarkt zich samen met leverancier Foppen (en overigens ook samen met het door Koelewijn zo verfoeide IMARES) inspant door zich actief te bemoeien met de uitzet van jonge paling. Dat vind ik prijzenswaardig, al lijkt de keuze om uitsluitend op deze (omstreden) manier te proberen de palingstand blijvend te verbeteren een beetje op ‘mooi weer spelen’. De werkelijke omvang van het probleem wordt verdoezeld (‘we doen er nu wat aan’) en de consument wordt een alibi verschaft om dat heerlijke maaltje paling nu toch maar te kopen, uiteraard niet elders maar bij AH! Albert Heijn is altijd erg snel geweest met het gratuite plakken van stickers, ook op verpakkingen van soorten die ernstig bedreigd zijn of waarvan de kweek grote milieuschade aanricht, zoals roodbaars, tropische garnalen en dus ook paling. Maar er zijn tekenen dat Albert Heijn gestaag de goede kant op gaat (bijvoorbeeld met de Puur en Eerlijk-campagne).
Er zijn ook supermarkten die het anders doen: Dirk van den Broek en Jan Linders verkopen al enige tijd om principiële redenen geen paling meer
In de kadertekst ‘Herstel palingstand: bedreigingen en kansen’ bij mijn artikel geef ik onder het kopje ‘kansen’ slechts een overzicht van acties en inspanningen die door diverse partijen ondernomen zijn of worden, en die mogelijk (mede) zouden kunnen leiden tot een herstel van de palingstand. Daar horen zowel de Kaderrichtlijn Water als de uitzet van schieraal in zee door beroepsvissers, als de ontmoediging door natuurbeschermers van palingconsumptie bij. Ik geef op die plek dus geen oordeel over te verwachten resultaten van die inspanningen, noch antwoord op de vraag of ze wel ethisch verantwoord zijn.
Ik weet heel goed wanneer schieraal gevangen wordt, maar denk ook dat het sluiten van de visserij voor commerciële doeleinden en de vangst van schieraal om die in zee uit te zetten elkaar geenszins uit hoeven te sluiten, al zal het financieel niet gemakkelijk zijn die combinatie te realiseren, en zullen overheden daarbij een belangrijke rol moeten spelen.
De oproep in mijn artikel in verenigingsblad Slowfood Magazine om geen paling meer te eten is in de eerste plaats gericht aan leden van Slowfood Nederland, een organisatie die good, clean & fair het allerhoogst in het vaandel heeft. Ik vind dat als je dit gedachtegoed aanhangt, je met goed fatsoen geen paling meer kunt eten, zoals je ook in je hemd staat wanneer je roept dat je vegetariër bent terwijl je je tegelijkertijd tegoed doet aan een dikke biefstuk (zelfs als die van een biologische koe komt).
Ik ben helemaal geen palingdeskundige, maar een kritisch en bezorgd Slowfoodlid met (toevallig) een journalistieke achtergrond en een meer dan gewone belangstelling voor vis, en heb een opiniërend artikel willen schrijven over het palingprobleem. Ik eet zelf geen paling meer, maar niet omdat ik de palingvisser ‘het brood uit de mond wil stoten’. Ook realiseer ik mij zeer wel dat wat er momenteel aan de hand is diep tragisch is, zowel voor de paling, die als soort het loodje legt, als voor de palingvisser, die zijn inkomsten kwijtraakt. Dat ik geen paling meer eet, is voor mij als consument heus geen drama, al vind ik het wel jammer, want deze vis smaakt onvergelijkbaar lekker in diverse bereidingen, en is bovendien goed voor de gezondheid. Maar de situatie is nu eenmaal niet anders, en ik vrees dat ook de palingproducenten dit vroeg of laat zullen moeten gaan inzien (en er zijn er ook al die dit doen).
Ik hoop dat in de toekomst zoniet mijn kinderen, dan toch mijn klein- of achterkleinkinderen ooit weer onbekommerd zullen kunnen genieten van een onvervalste paling, duurzaam in het wild gevangen en daarna ambachtelijk gerookt door de klein- of achterkleinkinderen van Alex Koelewijn.
Henk van Rossum